Diagnose pulmonale hypertensie

U bevindt zich hier: Pulmonale hypertensie » Diagnose

Diagnose pulmonale hypertensie

Pulmonale hypertensie kan alleen vastgesteld worden na uitgebreid onderzoek door een arts. Indien pulmonale hypertensie sterk vermoed wordt of vastgesteld is, zal een belangrijk deel van het onderzoek bestaan uit het uitsluiten van andere aandoeningen. Het is belangrijk dat er een eventuele onderliggende oorzaak van de pulmonale hypertensie gevonden wordt. Is dit zo dan moet de onderliggende ziekte behandeld worden. Dit is bij voorbeeld bij patiënten die pulmonale hypertensie als gevolg van hartfalen of longemfyseem hebben. Hartfalen en chronische obstructieve longziekten komen vaak voor dus de arts zal eerst onderzoeken of een van deze ziektes de oorzaak is van de pulmonale hypertensie. Als dat niet het geval is gaat de arts onderzoeken of de pulmonale hypertensie het gevolg is van zeldzamere afwijkingen. Onderzoeken die men kan verwachten zijn:

  • röntgenonderzoek van hart en longen om te kijken of het hart vergroot is of dat de longvaten abnormaal groot zijn
  • bloedonderzoek; om te onderzoeken of er sprake is van een auto-immuunziekte
  • leverfunctietest; om te bepalen of er sprake is van levercirrose of een andere leveraandoening
  • ECG; hiermee wordt gekeken naar eventuele afwijkingen van de elektrische activiteit van de hartspier en of er hartritmestoornissen zijn
  • Echocardiografie om de functie van de hartspier en de hartkleppen te beoordelen. Ook kan men met echocardiografie de afmetingen van de linker en rechterharthelft vrij nauwkeurig meten
  • CT scan van de longen om longziekten aan te tonen of uit te sluiten. Ook kunnen stolsels in de longen opgespoord worden met een CT scan.
  • longfunctietest
  • looptest van 6 minuten om de conditie te bepalen
  • longbiopsie om te onderzoeken of er sprake is van een longafwijking
  • Hartcatheterisatie. Dit is de gouden standaard om pulmonale hypertensie vast te stellen. Het is een soort kijkoperatie waarmee ze met een dunne katheter via de ader in de lies en de rechter hartkamer de druk kunnen meten in de longslagader.

Doordat de klachten vaak algemeen zijn en de aandoening zeldzaam, zal in het begin niet meteen gedacht worden aan pulmonale hypertensie. Als andere aandoeningen uitgesloten zijn, rest op een gegeven moment alleen nog maar de diagnose (idiopathische) pulmonale hypertensie.

Lees verder over de behandeling van pulmonale hypertensie -->

U bevindt zich hier: Pulmonale hypertensie » Diagnose